Dick Langeveld (1923) - SHJVS

SHJVS
SHJVS
Ga naar de inhoud
Dick Langeveld (1923)

”Niemand had enig benul van wat er ging gebeuren”

Mijn ouders hebben mij opgevoed met veel sympathie en interesse voor het Joodse volk. Zo kwam het dat ik in het najaar van 1941 als achttienjarige op de Grote Verzoendag de synagoge bezocht. Het zou de laatste keer zijn dat deze Joodse feestdag in de Alphense synagoge gevierd werd. Bij mijn binnenkomst kwam de voorzanger, Samuel Aardewerk, naar mij toe. Hij heette mij met een stevige handdruk hartelijk welkom en gaf mij een plaats naast Abraham de Leeuw, aan de wand middenin de zaal. De dienst verliep erg luidruchtig, want de aanwezigen zegden hun gebeden hardop en lazen hardop voor uit de Thora. Na ongeveer een uur ging ik weer. De heer Aardewerk bracht mij naar de uitgang en bedankte mij zeer vriendelijk voor mijn bezoek.

Op 12 augustus 1942 moesten verscheidene Joden zich in Westerbork melden voor tewerkstelling in Duitsland. De avond ervoor stuurde mijn moeder me met een pakket levensmiddelen naar de familie Cassier in de Visserstraat (nu Vorselenburgstraat). Toen moeder Mietje opendeed, viel het mij op hoe uiterst beleefd zij was. In ieder geval in mijn ogen. “Goedenavond, jongeheer, komt u binnen.”Ik was nog maar een jonge knul van 19 en was niet aan zoveel egards gewend. Toen ik de kamer binnenkwam, stonden haar man David en de twee jongetjes rondom de tafel. Ik moest sterk denken aan Exodus, de uittocht van de Joden uit Egypte. Ik weet niet of ze voor mij waren opgestaan of dat zij in gebed waren. Maar het feit dat zij stonden, maakte het tafereel erg onheilspellend. Op de tafel stond wat voedsel en er lagen een paar pakketjes, kan ik mij herinneren. David en zijn vrouw Mietje waren vrij klein. Toen ik wegging, vroeg Mietje mij: “Wilt u mevrouw, uw moeder, heel hartelijk bedanken en mevrouw, uw moeder, onze complimenten overbrengen?”We namen afscheid. Niemand had enig benul van wat er ging gebeuren. Ze gingen toch naar een werkkamp? Ze waren allemaal zo optimistisch. En iedereen rekende erop dat ze na enige tijd gewoon weer thuis zouden komen.

Wij woonden destijds in de Stationsstraat en mevrouw Hamburger woonde twee huizen verderop. Ik was nieuwsgierig naar haar, omdat ze zo onzichtbaar was. Dus heb ik op een middag bij haar aangebeld om te vragen of ik twee bijzondere bomen in haar achtertuin mocht bekijken. Bomen die ik niet kende. Merkwaardigerwijs vond ze dat goed, want ik moest wel door gang en keuken lopen. Het bleken twee Ginkgo biloba bomen te zijn, in die tijd vrij onbekend en zeer interessant. Ze worden ook wel Japanse notenbomen genoemd. Maar het bleef niet bij dat ene bezoek. Als ik uit school kwam, ging ik elke dag bij haar thee drinken. Daar stond ze op.

Mevrouw Hamburger was tandarts in ruste, 80 jaar oud en ongetrouwd. Ze kwam uit een gegoede familie. Haar broer, die toen al overleden was, was een bekende professor aan de Universiteit van Groningen geweest. Ze woonde met haar huishoudster Daatje Onderstal in dat grote huis aan de Stationsstraat. Mevrouw Hamburger was echt mensenschuw. Ik was werkelijk de enige buitenstaander die er over de vloer kwam. Later ook mijn moeder en mijn broer. Ze was in haar leven vaak en diep teleurgesteld in mensen. Mogelijk werd ze in haar tijd niet gewaardeerd als vrouw in haar beroep. Ze had ook geen Joodse kennissen, was niet religieus en stond buiten de Joodse gemeenschap. Toch was ze zeer onderhoudend en humoristisch. Ik voelde me echt thuis bij haar. In mijn jeugd was zij voor mij een zeer belangrijke persoon. Natuurlijk deed ik allerlei klusjes voor haar. Zo had ik verschillende koperen spullen in de tuin begraven. Koper moest door iedereen ingeleverd worden voor de wapenindustrie, wat natuurlijk op grote schaal gesaboteerd werd. Ze had zich voorgenomen mee te betalen aan mijn studie biologie, als ik eenmaal de Christelijke HBS had doorlopen, door haar instrumentarium te verkopen. “Dickie, ik heb nog een mooi antiek medicijnkastje voor je,”zei ze op een dag.

Toen ik de volgende dag weer langskwam om een kopje thee te drinken, lag ze in bed in de woonkamer. Ze had het kastje van de zolder willen halen, was van de trap gevallen en had daarbij haar heup gebroken. Een paar dagen later zag ik tot mijn grote verbazing dat het hele huis verzegeld was met banderollen met hakenkruisen erop. Niemand had ooit een ambulance gezien en niemand wist waar mevrouw Hamburger naartoe was gebracht. Vermoedelijk is zij 's nachts door de Duitsers uit haar huis gehaald. Toen heb ik de stoute schoenen aangetrokken en ben ik naar de Ortskommandant gegaan, die me vertelde dat Frau Hamburger in het Elisabeth Gasthuis in Leiden lag. Nog dezelfde avond ben ik op mijn oude gammele fiets naar Leiden gereden. Ze lag op een stinkende zaal vol mensen. Dat is de laatste keer dat ik haar gezien heb. Omdat ik zelf moest onderduiken, kon ik haar niet meer bezoeken. Vanuit het ziekenhuis is zij naar een dependance van het ziekenhuis aan de Hooigracht gebracht. Op 20 maart 1943 is zij in het concentratiekamp Sobibor omgebracht.
Terug naar de inhoud